Onderzoek

 

Onderzoek

Aan de basis van de opbouw van de kunst-ontdek-activiteiten met een receptie- productie en reflectiefase van Cultuuronderwijs met beelden, ligt onderzoek naar kunsteducatie dat al in de jaren ’80 van de vorige eeuw werd uitgevoerd door o.a. Project Zero van de Harvard Graduate School of Education (http://www.pz.gse.harvard.edu/index.php). Daaruit bleek namelijk dat het goed is met kinderen naar kunst te kijken, zelf iets te laten maken en daarover samen te reflecteren. In de Verenigde Staten werd ook de benadering van kunsteducatie met aandacht voor kunstgeschiedenis, -kritiek en esthetische filosofie, de Discipline Based Art Education, populair. Deze benadering is ook van invloed geweest op de opbouw van de kunst-ontdek-activiteiten. Het stellen van filosofische vragen wordt als een soort instrument gehanteerd om betekenisgeving te bevorderen. Het zijn het type vragen die al eeuwenlang worden gesteld bij het beschouwen van kunst, zoals wat is de relatie met de werkelijkheid, wat is de relatie met de natuur, wat wilde de kunstenaar.

Door de opbouw van de kunst-ontdek-activiteiten is het mogelijk aan de kern- en tussendoelen van het basisonderwijs ( http://tule.slo.nl/KunstzinnigeOrientatie/F-KDKunstzinnigeOrientatie.html)  te voldoen. De theoretische basis voor cultuuronderwijs is gelegd in het in 2014 afgeronde onderzoeksproject ‘Cultuur in de Spiegel’  (http://www.cultuurindespiegel.nl/ ) De daar centraal geplaatste vier vaardigheden, waarnemen, verbeelden, conceptualiseren en analyseren, worden ook in de kunst-ontdek-activiteiten geoefend.

Door kijken naar kunst te koppelen aan productie, kunnen kinderen zich inleven in de beeldende oplossingen die kunstenaars hebben gevonden. Ook gaan ze, nadat een kunstwerk is besproken, zelf experimenteren met beeldaspecten zoals vorm, compositie en kleur. Zij nemen deel aan de culturele wereld en geven betekenissen aan kunstobjecten. Maar welke soorten betekenissen geven kinderen in de reflectie- en in de productiefase aan beeldaspecten en bijbehorende begrippen? Welke invloed heeft het stellen van kunstfilosofische vragen in combinatie met vragen naar beeldaspecten? Welke begeleiding van de leerkracht is nodig om de kinderen een onderzoekende houding, al werkend, te laten aannemen?

Dat waren vragen die centraal stonden in het onderzoek dat Hester Elzerman als docent en onderzoeker aan de Pabo heeft uitgevoerd binnen het lectoraat Ontwikkelingsgericht Onderwijs van de Hogeschool Inholland. Op een basisschool heeft zij gekeken naar de betekenissen die kinderen gaven aan beeldaspecten tijdens kunstbeschouwing en tijdens het maken van eigen beeldende producten. Om te kijken naar de invloed van de leerkracht op het proces van betekenisgeving zijn aanbod en begeleiding van kunstbeschouwing en -productie met twee verschillende ‘instrumenten’  (vragen naar beeldaspecten en filosofische vragen) onderzocht. De resultaten van dat onderzoek staan in:

Elzerman, H. (2015) Betekenisgeving in beeldend onderwijs, Haarlem: Hogeschool Inholland  (http://www.hbo-kennisbank.nl/nl/page/hborecord.view/?uploadId=inholland%3Aoai%3Arepository.samenmaken.nl%3Asmpid%3A50167);(Artikel Betekenisgeving in beeldend onderwijs 17 december 2014)

Elzerman, H. (2014), Kijken, maken en denken. Welke betekenissen geven kinderen bij het kijken naar kunst en wat doen zij daarmee in hun eigen werk? Kunstzone, 02, 44-45.

Referenties

Parsons, M.J. & Blocker, H.G. (1993) Aesthetics and Education. Disciplines in Art Education: Contexts of understanding, Urbana &Chicago: University of Illinois Press

Rush, J.C. (1987) Interlocking images: the conceptual core of a discipline-based art lesson, Studies in Art Education, vol. 28, pag. 204-260